DE NOODLANDING

Beschadigd als ze was toen ze boven de Lek vloog, werd zij door Duitse jagers belaagd. Na onderzoek is het vrijwel zeker dat de piloot Unteroffizier Albert Brett van de 7e Staffel van het 1eJagdgeschwader in zijn Messerschmitt Bf-109 rond 13:30 uur op 1 december 1943 het karwei van de door luchtafweer aangeschoten B-17 afmaakte.

Het toestel kwam in de Lek terecht op ongeveer twee kilometer van de gemeentegrens Nieuw-Lekkerland - Streefkerk. Terwijl de bemanningsleden zich in veiligheid proberen te brengen, werden zij nog door andere Duitse jagers beschoten. Het laatste werd verteld door ooggetuigen, maar de bemanning kan zich dat niet herinneren.

In het midden van de foto (rode 1) tegen de kribbaken. Op deze krib kwam de neus van de B-17 terecht uit Westelijke richting. Rechts (bij de rode 2) is café 'Het Zwaantje' zichtbaar.

Dirk Verheij uit Nieuw-Lekkerland weet met zijn roeiboot vijf man uit het water te halen en naar de kant te brengen. Door de stroming drijft hij wel naar het westen af en komt bij het toenmalige adres Lekdijk 44 aan wal. De twee anderen worden door een Lekkerkerker met een roeiboot, die bij het hotel/restaurant  ’de Groote Boer’ lag gered.

Een  oud-Lekkerkerker die nu in Canada woont, Marinus van de Hoek uit Opperduit, kan zich nog herinneren dat hij die middag naar school liep en toen zag hij dat er bemanning op de vleugel van het neergestorte vliegtuig stond. Een andere Lekkerkerker, Anton den Ouden (12-3-1934) zat ter hoogte van het café 'Schoonzicht' te vissen toen de B-17, achtervolgd door schietende Duitse jagers, langs vloog en ten oosten van hem, tegenover de scheepswerf van Duyvendijk in de Lek stortte.

Vijf van de geredde bemanningsleden werden ondergebracht in de dichtstbijzijnde boerderij en huis van Jan de Jong. De andere twee, Culver en Tully werden eerst opgevangen in het café ‘Het Zwaantje’ en daarna naar het eerder genoemde huis van Jan de Jong gebracht. De gewonden werden verbonden door de dokters uit Nieuw-Lekkerland, de dokter uit Streefkerk en leden van de luchtbeschermingsdienst. Van de bemanningsleden waren er twee ernstig gewond en drie minder ernstig. Verder was er een lichtgewonde en een bemanningslid zonder letsel. De ook aanwezige marechaussee meldde dat het toestel tien bemanningsleden moest hebben gehad, zodat de conclusie luidde dat er drie verdronken moesten zijn.

De rivierpolitie uit Krimpen aan de Lek bracht een baken aan op de plek waar het vliegtuig was neergekomen en regelde het scheepvaartverkeer. Spoedig arriveerden de Duitsers, die de gewonden overbrachten naar een ziekenhuis, vermoedelijk het Sint Jozef in Gouda, wat toen door de Duitse Luftwaffe als veldhospitaal werd gebruikt. Daarna werden ze naar een krijgsgevangenenkamp gebracht.

Op 12 juni 1944 werd in het rietland langs de Lek door eerder genoemde Dirk Verheij een lichaam gevonden dat een vliegerjack droeg. Volgens het aangetroffen identiteitsplaatje was het de piloot Harland V. Sunde uit Minneapolis. Zijn lichaam werd overgebracht naar het baarhuisje van de algemene begraafplaats in Nieuw-Lekkerland. Hij wordt op 13 juni 1944 tijdelijk op de algemene begraafplaats van Nieuw-Lekkerland begraven. Op 18 februari 1946 gaan zijn stoffelijke resten naar de Amerikaanse erebegraafplaats in Margraten. McCutchen’s lichaam werd op 30 mei 1944 uit de Lek gevist en dat van Healy pas in 1955 tijdens de berging.

Harland V. Sunde

Doyle C. Mc Cutchen

John F. Healy

En George D. Giovannini, die met een ander toestel moest vlliegen tijdens dezelfde missie, raakte vermist. De enige informatie die we hebben, is dat zijn toestel, de "Four Aces - Pat Hand" (42-31111) door Duits luchtafweergeschut is geraakt en waarschijnlijk in de Noordzee is gestort tussen Holland en Engeland. Zijn naam staat wel op de muur van vermisten in Margraten.

George D. Giovannini